In het tweede seizoen van Leven tot het laatst wandelt Joris Linssen met mensen in de palliatieve fase én een naaste. ‘Tijdens het wandelen ontstaan gesprekken die dieper gaan.’
“Tijdens het wandelen ontstaat een flow, een cadans. Je wordt er kalmer van. De gesprekken in Leven tot het laatst vinden plaats op de Veluwe. Een fijne, bosrijke omgeving. Natuur geeft rust; er is minder afleiding dan tijdens een stadswandeling als deze. En we lopen naast elkaar. Omdat we elkaar niet continu aankijken, is het voor de mensen die ik spreek makkelijker hun gevoelens te uiten. Zo ontstaan gesprekken die dieper gaan.”
“Dat, en het even simpele als ijzersterke format. Anita gaat wandelen met de patiënt en ik met een dierbare, of andersom. We starten aan verschillende kanten van de Veluwe en lopen elkaar tegemoet. Tijdens het lopen vertellen ze wat de ander voor hen betekent. Halverwege ontmoeten we het andere duo. Er hangt een emotionele lading in de lucht, omdat ze net intens over die ander hebben gesproken. Bij de ontmoeting lezen ze elkaar een brief voor: ‘Lieve mama, lieve zoon, lieve vriend…’ Daarbij trekken Anita en ik ons discreet terug. En staan we achter de camera onze tranen te bedwingen, omdat het zo ontroerend is.”
“Ja. Ik heb in de laatste fase van zijn leven diepe gesprekken gevoerd met mijn stiefvader Louis. Hij had parkinson, hartklachten en longklachten. Eigenlijk was hij op, maar het was een man met een enorme wil om te leven. Dat zat hem op dat moment in de weg. Louis kon het leven niet loslaten. Ik denk dat ik hem heb kunnen helpen door een pittig gesprek aan te gaan. ‘Je moet je overlevingsdrang uitzetten en het leven laten gaan.’ Dat was een heftig, maar belangrijk gesprek. Volgens mij is het goed om dingen bij naam te noemen. Uiteindelijk heeft Louis zijn naderende einde geaccepteerd. Het heeft onze band enorm verdiept in de periode die we nog hadden.”