Op vrijdag 2 oktober viert de Nederlandse televisie zijn 75e verjaardag. Eppo van Nispen tot Sevenaer, directeur van Mediamuseum Beeld & Geluid, staat stil bij dat jubileum.
“Dat had meer voeten in de aarde dan je zou denken. Men was bang voor de gevolgen. Televisie zou ontlezing veroorzaken en ervoor zorgen dat niemand nog naar de radio zou luisteren. Bovendien lag het politiek moeilijk. De eerste toestellen waren onbetaalbaar. Omgerekend naar hedendaagse prijzen kostten ze zo’n 7000 euro. Na de Tweede Wereldoorlog was Nederland in wederopbouw. Minister-president Willem Drees vreesde dat het volk zijn geld in tv’s zou stoppen en niet in ‘nuttige zaken’. Tv-leverancier Philips wilde juist wel dat er programma’s kwamen; die zag handel. Toen de directie dreigde het hele bedrijf naar het buitenland te verhuizen, stemde Drees schoorvoetend in.”
“Jazeker. Omdat ze zo duur waren, waren er maar enkele honderden toestellen in Nederland. Juist daarom werkte het medium al verbindend. Als een huishouden een tv had, kwam de hele buurt daar bij elkaar. Samen keken mensen naar dat beeldbuisje van nauwelijks 20 centimeter breed. Niet te vergelijken met de enorme schermen van nu.”
“Het bracht mensen bij elkaar, letterlijk; rijk en arm, jong en oud. Iedereen keek dezelfde programma’s, zoals Pension Hommeles of later Swiebertje, en praatte daarover. Ook iets wat verbindend werkt. Radio was in die tijd leidend, mensen moesten aan dit nieuwe medium wennen. Een bekend voorbeeld is ‘tante Hannie’: omroepster Hannie Lips zwaaide aan het eind van elke uitzending naar de kijkers. Mensen dachten dat ze dat speciaal voor hen deed en wuifden massaal terug.”